De Noord-Hollandse witborsteend

Door Rudolphous - Eigen werk, CC BY-SA 4.0.

Dit is de Noord-Hollandse witborsteend, ook wel de spreeuwkopeend genoemd. Het is een Nederlandse siereend. De Noord-Hollandse witborsteend stamt af van de wilde eend, maar hij is zijn wilde veren kwijtgeraakt.

In zijn jeugd was de witborsteend tegen het systeem, ruig en onbezonnen. Hij verfde zijn haren knalrood, stak een speld in zijn rechteroor en speelde gitaar in een punkband. Zijn ouders waren bourgeois en begrepen hem niet. Hij begreep hen niet. Hij begreep niet hoe zij de eindeloze sleur van een monotoon bestaan konden dragen. Hoe zij zonder nadenken mee leken te gaan in de materiële waan van de dag. Nieuw behang, nieuwe tafel, nieuwe stoelen, nieuw fornuis. Werken, eten, tv, thuis. De routine, die eindeloze sleur. Dat was geen doen. Dat was geen leven.

Zijn band heette De Bloedpoedels, en ze werden bijna populair. Hij verliet zijn ouderlijk huis op zijn zeventiende en sliep een tijd bij zijn eerste vriendin in een kraakpand totdat het uitging. Daarna tourden ze met De Bloedpoedels een lange zomer door de Benelux in een aftands, afgeladen bestelbusje. Ze speelden overal en nergens voor tientjes, kratten bier, warm eten, en/of een slaapplek. Met meiden voor een nacht, drank en hash, dronken ruzies, eindeloze files, gezeik over geld en gemor over gebietste peuken. Het was de mooiste zomer van zijn leven.

Eenmaal teruggekeerd zei de drummer dat hij ermee kapte. Hij vond punk maar saai en wilde de metal in. Ze spuugden op hem en noemden hem een sellout. De rest van de band zocht een tijd naar een vervanger maar het boterde met niemand. De bassist ging in een schoenenwinkel werken en de zanger werd autoverkoper. De witborsteend ging zwerven. Zijn makkers waren allemaal mak geworden. Maar hij zou zijn leven leiden zoals de oude surrealisten dat deden; op gevoel, op humor, op de grillen van de wind, als één lange déambulation.

Duitsland, Frankrijk, Italië, Frankrijk, Spanje, Portugal. Fietsend, lopend en liftend reisde hij door Europa. Hij ontmoette overal mensen die hem eten of een ritje gaven of een slaapplek. Slechts een enkel oneerbaar voorstel. Het was een vreemde tijd voor een vreemde eend. Totdat hij op een avond, na al zijn omzwervingen, uiteindelijk bovenop een rots stond, uitkijkend over de straat van Gibraltar, met de ondergaande zon aan de horizon. Hij rookte zijn laatste joint tot een stompje, liep naar het naastgelegen dorp en belde zijn ouders…

Vijfentwintig jaar later draait hij met een zucht de dop op de benzinetank en loopt hij naar binnen om te betalen. Teruglopend naar zijn auto ziet hij zijn tienerzoon op de achterbank hevig meedeinen met de luide muziek die uit zijn oordopjes schalt. Ingestapt zegt hij, in weerwil van zichzelf, ‘kan dat niet wat zachter? Je houdt geen oren meer over zo.’

Ogen rollend wordt hij van repliek gediend: ‘Jezus pap, wat ben je saai.’

Gerelateerde artikelen